Onze ouders hadden twee wereldoorlogen meegemaakt, en kenden drie goddelijke deugden: gierig, nu en wijs. En ze rekenden erop dat wij ook meewerkten om het huishouden aan den draai te houden. Wij konden daarvoor gebruik maken van een aantal toegelaten gewoontes.
In de zomer gingen we oogsten. Als de boer het graan geoogst had, en de oogst stond in mijten, dan mocht iedereen op de stoppelvelden geen oogsten: de achtergebleven graanstengels en aren rapen. Zo'n handvol aren samen was een zang. 20 zangen uit een kinderhand gaf een schoof maar daarvoor moest je lang oogsten, soms meerdere dagen op vele velden.
Op het einde van de zomer moesten we aardappelen rapen. Voor een ganse dag van 8u30 tot 17u30 op je knieƫn de rooiers na kruipen voor 85 frank.
In alle fruitweiden stonden in die tijd 2 of 3 okkernootbomen. Eind september gingen de bolsters open en begonnen de noten te vallen. Daarop kon de boer niet wachten en hij kwam de noten oogsten: met een lange stok alle bolsters uit de boom slaan. De kwajongens presenteerden zich om de noten te rapen, daar was een tarief: als je 100 noten raapte, mocht je er 4 voor uzelf houden.
De meeste mensen hadden in die tijd ook konijnen. In de zomer zetten ze die dan in de bermen. In de herfst moesten we als kwajongens voeder gaan steken: paardebloem, dove netel en smalle weegbree. En onzs moeder zei: "Je komt niet naar huis, als de mand niet vol is."
Later inde herfst, als de appels geplukt waren, mocht iedereen gaan keuteren: met een lange staak de appels, die waren blijven hangen, afslaan. Wij als kwajongens moesten proberen de appel, die afviel op te vangen, want als ie op de grond viel, was hij gedeukt, en kon je hem niet meer bewaren. Dan was hi goed om dadelijk op te eten, of appelmoes te maken.
In de winter was er wel altijd ergens een bloek of een varkenswei waar de bomen moesten gekapt worden. Het hout werd dan met de boomsleper naar de zagerij Gielen in Hasselt gereden. Van het klein hout maakte men mutsaarden, en van de rest die nog in de grond stak, mocht iedereen spieƫn kappen. Na school of 's anderendaags moesten we de stukken hout met de kruiwagen of de stootkar naar huis rijden. De spieƫn werden in het bakhuis gelegd om te drogen. Na enkele maanden waren die droog en dienden ze om de grote kookketel te stoken, en dat was iets dat ik duivelsgraag deed, en met hetzelfde plezier heb ik dat u verteld.