2026-02
pag
Gelukkige mens
Tekst: Toon Machiels
Melodie: trad. Im Wald im grünen Walde
Ik zag hem in Sint Truiden, vier honden had hij bij. (bis)
De eerste rechts, de tweede links. De derde die trok naar daar
De vierde trok te hard naar hier.(2x)
En auto’s reden, de fietsen ook
En dat dan nog eens allemaal door elkaar.
Wat hij ook riep, ze luisterden niet,
Draaiden hun leibanden rond zijn been.
Mensen, mensen, mensen, mensen !
Ik heb geen honden, maar ik ben net zo tevreden
Mensen, mensen, mensen, mensen !
Voor zo’n honden geef ik geen ene cent.
Refrein
En dan denk ik zo ineens
Ben ik een gelukkige mens
En meer moet dat niet zijn
En denk ik zo ineens
Ben ik een gelukkige mens.
En meer moet dat niet zijn.
Ik zag haar gaan in Knokke, met een vriendin erbij. (2x)
En opscheppen en klagen van haar vent en haar vriend:
Geen enkel deugde, alleen zij: ze lieten haar niet voldoende vrij:
Wat een heel geloop, wat een heel gelieg.
En altijd belt hij op laatste (nippertje) af.
Ze loopt vol stress, ze is pompaf
Van twee mannen is ze nu de slaaf.
Mensen, mensen, mensen, mensen !
Ik heb geen verhouding, maar ik ben net zo tevreden
Mensen, mensen, mensen, mensen !
Voor zo’n stress geef ik geen ene cent.
Refrein
Ik zag hen bij Argenta: De dochter met haar vader.(2x)
Met beleggingen, obligaties, en aandelen en tak zoveel:
Het was de erfenis van haar moeder.
De erfenis van haar moeder.
Maar in het bureau ontstond er ruzie
Zij wou meer dan de helft en anders niets
Vader werd kwaad, hij trapte het af
Nu heeft ze niets en blijft alleen.
Mensen, mensen, mensen, mensen !
Met mijn spaarboek,
ben ik ook tevreden.
Mensen, mensen, mensen, mensen !
Ze sterven voor de laatste cent.
Refrein
2026-01
pag 20
’s NACHTS OP HET TOILET
André Pictoel Sint-Truiden
Stel, je wordt ’s nachts wakker om 4u. Je moet dringend naar toilet.
Dat werk je keurig af en spoelt de WC door, je gaat naar buiten maar in plaats van naar links ga je naar rechts.
Zoals altijd trek je de deur keurig toe.
Maar… wat stel je vast, je staat in de hall, op blote voeten en in je slaapshort en er is niemand in je appartement.
Er ligt een reservesleutel bij je ouders aan de andere kant van het stadscentrum, maar hoe geraak je daaraan.
De politie bellen, je ouders bellen, een sleutelmaker bellen…?
Maar… je hebt geen telefoon!
De straat op dan… geen optie want je belandt voor minder achter de tralies, en leg het maar uit zonder papieren … en ja meneer ik ging naar de WC en ben door de verkeerde deur gestapt.
Je krijgt het hoe langer hoe kouder. Dus actie nodig!!
Je hoort in het appartement beneden jou tekenen van leven, er is daar enige dagen geleden een nieuwe onderbuur komen wonen maar nog nooit ontmoet, die moet misschien naar het werk…
Alle moed bijeengeraapt en dan maar naar beneden.
Aanbellen, … nog eens bellen, de deur gaat op een kier en… ja mevrouw, ik moest naar de WC…. en mag ik eens bellen.
Neen toch, het nummer van mijn ouders staat niet in de witte gids, ken ik niet van buiten - wie kent nu nog telefoonnummers uit het hoofd - misschien even op internet zoeken, maar zegt mijn buurvrouw dat ze geen internet heeft…
Mijn buurvrouw heeft een idee en haalt haar wagen, leent mij haar badjas, die gerust enkele maatjes meer mocht zijn en op blote voeten stap ik in de auto.
En voor de rest komt alles goed nadat mijn ouders die zich doodschrokken van de bel en mij op het schermpje van de parlofoon met een badjas op straat zien staan maar alles werd snel vergeten bij het aanhoren van de beknopte versie van mijn verhaal. Het was gelukkig maar dat.
Beter een goede buur dan een verre vriend, en ik heb haar vandaag een doosje pralinekes gebracht.
2025-04
pag 4
Hoe wij ons vroeger als kwajongens amuseerden (deel 2) -
Marcel America, Kortessem
Onze ouders hadden twee wereldoorlogen meegemaakt, en kenden drie goddelijke deugden: gierig, nu en wijs. En ze rekenden erop dat wij ook meewerkten om het huishouden aan den draai te houden. Wij konden daarvoor gebruik maken van een aantal toegelaten gewoontes.
In de zomer gingen we oogsten. Als de boer het graan geoogst had, en de oogst stond in mijten, dan mocht iedereen op de stoppelvelden geen oogsten: de achtergebleven graanstengels en aren rapen. Zo'n handvol aren samen was een zang. 20 zangen uit een kinderhand gaf een schoof maar daarvoor moest je lang oogsten, soms meerdere dagen op vele velden.
Op het einde van de zomer moesten we aardappelen rapen. Voor een ganse dag van 8u30 tot 17u30 op je knieën de rooiers na kruipen voor 85 frank.
In alle fruitweiden stonden in die tijd 2 of 3 okkernootbomen. Eind september gingen de bolsters open en begonnen de noten te vallen. Daarop kon de boer niet wachten en hij kwam de noten oogsten: met een lange stok alle bolsters uit de boom slaan. De kwajongens presenteerden zich om de noten te rapen, daar was een tarief: als je 100 noten raapte, mocht je er 4 voor uzelf houden.
De meeste mensen hadden in die tijd ook konijnen. In de zomer zetten ze die dan in de bermen. In de herfst moesten we als kwajongens voeder gaan steken: paardebloem, dove netel en smalle weegbree. En onzs moeder zei: "Je komt niet naar huis, als de mand niet vol is."
Later inde herfst, als de appels geplukt waren, mocht iedereen gaan keuteren: met een lange staak de appels, die waren blijven hangen, afslaan. Wij als kwajongens moesten proberen de appel, die afviel op te vangen, want als ie op de grond viel, was hij gedeukt, en kon je hem niet meer bewaren. Dan was hi goed om dadelijk op te eten, of appelmoes te maken.
In de winter was er wel altijd ergens een bloek of een varkenswei waar de bomen moesten gekapt worden. Het hout werd dan met de boomsleper naar de zagerij Gielen in Hasselt gereden. Van het klein hout maakte men mutsaarden, en van de rest die nog in de grond stak, mocht iedereen spieën kappen. Na school of 's anderendaags moesten we de stukken hout met de kruiwagen of de stootkar naar huis rijden. De spieën werden in het bakhuis gelegd om te drogen. Na enkele maanden waren die droog en dienden ze om de grote kookketel te stoken, en dat was iets dat ik duivelsgraag deed, en met hetzelfde plezier heb ik dat u verteld.
pag 37
De Bòddelkèèr
Door Guido, 12 augustus 2025
De Bòddelkèèr heeft op 3 augustus zijn Zomerseizoen afgesloten op het Begijnhof in Sint-Truiden. Daar waren 650 toeschouwers die op hun stoeltje dat ze meegebracht hadden, naar hun zijn gaan kijken. Ze hebben negen keer gespeeld en alles tezamen hebben 2.800 mensen gelachen, geapplaudisseerd en gezongen met hen.
Hoe komt het dat iedereen naar de Bòddelkèèr wilt gaan kijken?
De Bòddelkèèr is een straattheater dat al 17 jaar bestaat.
Het organiseert niet zelf de voorstellingen, want dat doen organisaties die wat geld willen inhalen voor een goed doel.
De inkom is gratis maar zij gaan wel rond met een hoed.
De toeschouwers brengen hun eigen stoeltje mee.
Ze spelen heel graag op plaatsen die voor het Sint-Truidens erfgoed belangrijk zijn om die ook onder de aandacht te brengen door deze voorstellingen.
Ze spelen het liefst van al buiten maar als het niet anders kan, spelen ze in een zaaltje in de nabijheid.
De taal is het Sint-Truidens dialect, bijgevolg doe je er best aan als je het niet goed verstaat om iemand mee te vragen die je gaatjes kan opvullen.
Zij houden hun publiek een spiegel voor om de realiteit van elke dag langs alle kanten te bekijken. Dat betekent dat wat er in Sint-Truiden.
pag 36
Hoe schrijven we doffe e -
Toon Machiels Kortessem
Tijdens het noteren van de liedjes in mijn boek 'Hoe de ouden zongen' ben ik vaak moeten herbeginnen. Net door die doffe e.
Wij zijn dat zo gewoon de e te lezen zoals we dat in het Algenmeen Nederlands doen: soms is het een doffe e zoals in het, dan weer een e zoals in ver: we zien dat aan de open en gesloten lettergrepen
En vermits ik de liedjes verzamelde in 6 dialecten van Kortessem, Kortessems; Guigovens, Viermaalroots, Vliermaals, Winterhovens en Zammeles, heb ik echt moeten zoeken am alles naar behoren op papier te krijgen.
Ik denk dat het nu gelukt is. Ik heb er wel een spellingswijzer moeten inzetten.
Daarom dacht ik: zou het geen goed idee zijn als we wat afspraken zouden maken in Limburg over de spelling van onze taal. Te beginnen met de doffe e. Nu moet je het dialect dat je aan het lezen bent, al een beetje kennen om te kunnen volgen. Maar als nu iedereen de doffe e hetzelfde zou noteren, dan zijn we al een eindje verder.
Wie weet kunnen we dan eens aan de tweeklank "oa" "oa" "ôë" beginnen, dat schrijft ook iedereen anders, terwijl het toch hetzelfde klinkt. Denk ik toch.
pag 39
Menopauze
Christophe Elen , 12 augustus 2025
Hittegolf in dat kleed
Zweet loopt langs alle kanten
Wij staan nu weer te hijgen
Hittegolf ondeer ’t kleed
’t loopt nu langs alle kanten
Wij staan hier nu onze liedjes te kwelen
Buikkrampjes – geboer en veel gasjes – veel plasjes
Dat zijn de symptomen
‘k heb last van mij hormonen
Refrein (2 maal na elkaar))
Meno meno pauze di meno
Meno meno pauze di meno
Me he he he he no pauze
Een oudere vrouw, geen jong mademoiselle
Ik begin het al te kennen
Ik voel me toch niet zo goed van binnen
Buikkrampjes – geboer en veel gasjes – veel plasjes
Dat zijn de symptomen
‘k heb last van mijn hormonen
2025-03
pag 4
Hoe wij ons vroeger als kwajongens amuseerden (deel 1) -
Marcel America, Kortessem
Hoe we vroeger ons als kwajongens amuseerden
Beste lezer,
Ik wil u deze avond meenemen in de tijd, 75 jaar geleden, naar de jaren 40 net na de oorlog. Dat was een triestige tijd. Speelgoed hadden we niet veel, maar we probeerden ons toch te amuseren.
De straten, de weiden, het veld dat was ons groot speelterrein want veel verkeer of gerij was er toen nog niet: een paar auto's; de tram en enkele landbouwers met kar of kipkar.
We liepen weinig gevaar bij het spelen; onze ouders konden gerust zijn.
Ons amusement hing af van de seizoenen.
In de zomer gingen we kikkers en salamanders vangen in de poel van de Hoot, soms worstelden we een beetje, en als het warm was, gingen wij plonsen of zwemmen in Leuris kumpel aan de Molenbeek.
In de herfst speelden wij verstoppertje op de tramstatie: rond die gebouwen, in de wagons en de personenwagons kon je je overal goed verbergen.
Als het een strenge winter was, gingen we glijden op de bevroren gracht in de Dumstraat of schaatsen op Knutske vijver.
In de lente speelden we cowboy op het paardenkerkhof en in de weiden van de Haache: de goeden tegen de slechten: die dan shet station tegen die van de klik. Onze wapens maakten we zelf: sommigen schoten met een boog, anderen met een schietleer, of en percussiegeweer. Een hoop steunpalen, die tegen een boom stonden was ons fort, en dat verdedigden wij met carbuur schieten.
Dat ga ik even uitleggen. Carbuur was toen nog in veel winkels te koop: de mensen hadden nog carbuurlampen, sommigen zelfs nog een carbuurlamp op hun fiets.
Terzake, je moest zorgen voor een doos met een deksel en een bol carbuur. In de bodem van die doos klopte je een gaatje. Je gooide de bol carbuur in de doos, sprenkelde er wat water op en sloot dan de doos goed af. Na een halve minuut stak je een lucifer aan het gaatje. De doos ontplofte met een enorme slag, en het deksel vloog meters ver. Dat deden we zelfs op de koer van de school.
Andere spelletjes waren, darpauen, tollen, doppen, landje kappen of knikkeren.
Je had drie soorten knikkers: van gebakken aarde: de bieten; de gewone glazen, en de kertessen die wat groter waren. Als het slecht weer was speelden we onder het prieeltje.
(wordt vervolgd)
pag 10
HUBAER -
Joep Buysen - Voeren
In het dorp kent iedereen Hubert wel. Hij woont alleen in een oud boerderijtje waar hij als enig kind bij zijn ouders opgroeide. Die waren ondertussen al jaren dood. Vrij kort na elkaar gestorven onder onduidelijke omstandigheden. Maar niemand sprak er ooit over. Waar Hubert zich nu de hele dag mee bezig houdt stelt zich ook niemand vragen over. Hij heeft een paar dieren, een eigen tuin en fruitbomen in de huisweide. Je ziet hem nooit op de markt of in de winkel. Hij zorgt volledig voor zichzelf. Jawel, een paar dingen koopt hij wel. Tabak heeft hij nodig voor zijn eeuwige sigarettenstompje. Dat stompje brandt eigenlijk zelden. Het is eerder een beetje doorweekt. En hagelpatronen, voor de jacht. Hij heeft wel geen jachtvergunning, maar Charles van de ijzerwinkel zet die paar patronen voor Hubert op zijn eigen naam. Ze waren vroeger vrienden.
In het najaar zet Hubert een tafeltje buiten met zakjes walnoten. Een krijtbordje vermeldt 2,50 / zakje. Veel te veel natuurlijk, er zijn mensen die ze gratis weggeven. Alleen een argeloze wandeltoerist laat zich vangen, gecharmeerd door de landelijke sfeer van Huberts groezelige boerderijtje. Vlak bij het tafeltje ligt aan een nét te korte ketting de magere hond Perro de noten te bewaken. Geen rashond natuurlijk, maar een kruising tussen een beagle en een terrier en ongetwijfeld nog wat andere invloeden. Zijn valse gegrom met ontblote tanden en af en toe een scherpe blaf werkt niet stimulerend op de verkoop. Zijn voer bestaat uit de restjes van Huberts avondeten. De afgekloven botjes van konijn of duif zijn voor hem een delicatesse. Dikwijls krijgt Perro bij het voeren eerst nog een stamp van Hubert. Om wat plaats te maken, of zomaar, uit gewoonte. Perro kermt allang niet meer en incasseert hongerig.
Als Hubert al eens naar het dorp gaat neemt hij zijn oude Piaggio brommer. Mensen zien hem dan al van ver komen, duidelijk herkenbaar aan zijn scheefgezakte houding. De meesten maken zich onopvallend uit de voeten. Dan hoeven ze niks tegen Hubert te zeggen. Ook in het café valt het een beetje stil als hij binnenkomt en in een hoekje aan de bar gaat zitten. Natuurlijk heeft hij in de gaten dat er stil gefluisterd en gegniffeld wordt. Terug buiten is het een opluchting als de belhamels niet de banden van de Piaggio hebben leeggelaten. Al schamen ze zich helemaal niet om Hubert bij zijn aftocht nog met een paar stenen of kluiten aarde na te gooien.
Op jacht gaat zijn voorkeur uit naar duif. Daar is hij heel goed in. Hij heeft zo zijn favoriete plekken in het bos waar hij lange tijd geduldig op een blokje hout kan zitten wachten tot er in een boom een gewillig slachtoffer komt aangefladdert. In de buurt passeren wel eens wandelaars of fietsers, maar die zien hem niet zitten. Zijn gestalte gaat volledig op in het donkere lijnenspel van boomstammen, takken en stronken. Maar Hubert ziet wel iedereen. Ook de sullige Gerard die hij zo hartgrondig haat. Doelloos staat Gerard wat het bos in te gapen, het lijkt alsof hij Hubert kan zien, maar reageert niet. Nee, hij ziet hem blijkbaar niet. Waarom staat die juist dáár heen en weer te wiegen? Hubert neemt traag zijn geweer en richt het op Gerard. Langdurig bekijkt hij hem door het vizier. Hij zou hem zo kunnen raken. Dan doet hij alsof hij de trekker overhaalt en maakt hij met zijn lippen een zacht knalgeluid met een naruisende keelgalm. En nog een keer, het kost toch geen hagelpatronen op die manier en hij heeft er wel veel plezier van. Waarom krijgt die sul in het dorp toch altijd de lachers op zijn hand? Iedereen vindt hem maar een goedzak en ze nemen hem ook altijd in bescherming, terwijl hij toch ook stommiteiten uithaalt. En iedereen altijd maar helpen, en voor niks nota bene, de onnozelaar! En dan te bedenken dat Hubert juist hém had geleerd hoe hij stroppen moest maken van ijzerdraad en waar die geplaatst moeten worden om zo de meeste konijnen te vangen. Het zou wel fijn zijn geweest als Gerard voor hem elke dag de stroppen zou gaan nalopen, controleren, de buit verzamelen en de stroppen opnieuw zou plaatsen. Dat zou hem heel veel tijd besparen. Maar nee, dat vond Gerard maar zielig voor de arme beestjes. Gerard heeft hem wel niet bewust verraden, maar in zijn onnozeligheid is het toch ter ore gekomen van de veldwachter. Die heeft het dan wel niet kunnen bewijzen, maar sindsdien is het dubbel oppassen niet gepakt te worden. Een duif schieten mag ook niet, maar lang nadat Gerard was doorgelopen knalde het dan toch echt. Eén keer maar en tevreden ging Hubert weer naar huis.
> Thuis was Perro losgebroken. Dat gebeurde wel eens vaker, zijn halsband had Hubert al meerdere keren een gaatje strakker moeten zetten. Als de hond dan de kans krijgt gaat hij uitgebreid de vrije natuur in en blijf dagenlang weg. Soms denkt Hubert dat Perro helemaal niet meer terugkomt en dat zou ook niet erg zijn, want hij had toch niet zoveel aan dat beest. Maar ondanks dat het leven thuis niet zo geweldig aangenaam is, komt Perro toch steeds weer terug. Uit gewoonte misschien, of omdat hij behoefte heeft aan zijn droog onderkomen. De dagen gaan rap voorbij en na verloop van tijd dacht Hubert helemaal niet meer aan zijn hond. Tot precies een week later Perro weer op zijn plek ligt. Maar hij is wel erg stil. Normaal komt de hond ook niet van vreugde op Hubert afgesprongen, maar nu kijkt de hond hem hulpeloos aan. Hij blijkt een grote gapende wond te hebben opgelopen achter zijn voorpoot. Zijn hele borstkas ligt open. Dit is geen ongelukje geweest, denkt Hubert. Heeft iemand hem wat aangedaan? Maar welk mens doet zoiets. Natuurlijk! Geen mens, maar een beest doet zoiets. Een wild zwijn misschien. Perro is natuurlijk op het verkeerde moment op de verkeerde plaats uitgekomen met zijn gesnuffel! Hubert weet eigenlijk niet zo goed wat hij nu moet doen. De dierenarts roepen misschien? Maar die heeft hij de vorige keer niet betaald, omdat hij zogenaamd niet tevreden was. Of die nu nog zou komen? Maar al heel snel ging het achteruit met Perro. Zachtjes miemend kruipt hij wat naar Hubert toe, waarbij Hubert zich wat ongemakkelijk voelt. Hij streelt zachtjes over zijn kop en merkt dat de hond aan zijn
laatste ademtocht bezig is. Hubert wordt nu overwelmd van verdriet en terwijl Perro sterft zakt Hubert zwaar snikkend naast hem neer.
Nooit meer zal hij nog een hond nemen. meer zal hij nog een hond nemen. meer zal hij nog een hond nemen. zwaar snikkend naast hem neer.
Nooit meer zal hij nog een hond nemen.
pag 33
De Warmte -
Guido Krieken - Piringen
Als we nu niets schrijven over de warmte, of is het de hitte, dan hoeft het niet meer. In de winter zijn we al blij als de zon een beetje schijnt. En in de lente gaat het meestal regenen, en heeft de zon niet veel kans.
Voor de landbouwers is het normaal nooit goed, ofwel is het te nat voor de aardappelen, of is het te droog voor de turkse tarwe (tegenwoordig zeggen ze daar mais tegen)
Maar nu is het toch wel te erg: elke dag biedt de weerman of -vrouw meer, en we komen qua temperatuur hoger dan de normale temperatuur van een gezond persoon.
Ik ga mijn koortstermometer nog goed moeten wegleggen, want di gaat maar tot 41 graden, en daarboven is hij stuk.
't Zal niet meer lang duren tot het wegdek gaat opblazen, en dat we hobbels krijgen.
De trein had vandaag er al van: "Er is een defecte bovenlieiding in Tubize", en daarom was mijn terin in Leuven een half uur te laat. Ja, voor de trein moet er niet veel verkeerd gaan, of ze hebben vertraging. Ik denk dat ze beter de trein normaal wat langer te laten wachten in stations , dan kunnen ze tenminste ook wat inlopen als er problemen zijn.
Mijn gras had ik al langer laten groeien, maar het is toch aan het sterven: het wordt stilaan geel naar bruin. Het heeft ook wel het voordeel dat je niet moet maaien. Als er er een paar keren een regenvlaag komt, schiet het toch weer uit.
Om buiten iets te doen, is het toch veel te heet: 't is al te heet om de krant aan de straat te gaan halen.
We kunnen nu ook begrijpen dat de mensen in Afrika niet altijd zin hebben om te werken: de kitte komt nu van daar.
De mannen zij daar wel slimmer: die laten hun vrouwen werken, want zijzelf vinden het veel te warm. Zn ze gaan onder een boom zitten, totdat de vrouw roept om te komen eten.
Ik ga nu ophouden met schrijven, want het wordt me toch te warm. Ik wens jullie dat het al wat koeler is, als je dit leest.
pag 6
De Zussen mus -
Stan Mardaga - As
Een grijze mus n haar tweelingszus
Loerde vanop het kippenhok naar de kippen.
Die gingen scharrelend aan hun eten beginnen.
"Wat denkt ge," sjilpte de een naar haar zus,
"geen schrik, bij gaan, dat durven we gerust
Huppelend kris kras tussen de kippen en de haan
Schoven ze onbeschamd bij het kippenvoer aan.
Straks nog eens drinken aan de bak met water.
Maar van achter het kippenhok loerde de kater
Met een atletische sprong had hij er een te pakken,
Tweelingszus vloog angstig op en moest er van ontlasten
De kater keek om en dacht; deze of haar zus
Hebben is hebben, een mus is een mus.
pag 9
Et leeve van Basil -
André Pictoel – Sintrùin
Ik heb hem vandaag moeten bekijken
Mijnheer gaat als eerste naar buiten, en roept de dames samen. Hij weet wel wat lekker is en laat hen dat zien: een regenworm hier, een zaadje daar, zijn buffet ligt voor iedereen klaar.
Hij ziet dat het goed is, tevredenheid overal in de tent, en dan ... ja zo is hij, de galante heer, ... een dansje bij de ene en dan eentje bij de anderen, even door de knietjes en dan weer verder.
Namiddag vind je hem onder een boom aan het krabben in de grond, een beetje wroeten en wringen in het stof totdat de zon weer ondergaat.
Dan roept hij de kudde weer bijeen, en kruipt hij op hoogste stok in het kot; want straks is het weer tijd dat hij zijn kukekekuu weer verspreidt.
En zo is het leven van Basil, een haan uit Tienen, een galante heer.
pag 15
De stomp -
Johan Onclinx – Sintrùin
Het ergste wat je mij vroeger kon aandoen, was naar een trouwfeest te gaan van de familie.
Elke keer kwam een oom of tante naar mij toe,
gaven mij een stomp in de flank, en dan zeiden: "En nu gij, hé?"
Zij zijn daarmee gestopt, toen ik hetzelfde met hen begon te doen op begrafenissen...
pag 18
In Romershoven houden ze nog aan de oude tradities
Paul Achten – Hoeselt
Vroeger gingen de kinderen de laatste dag van het jaar aan de deuren “Héle” zingen. Dat liedje ging aldus:
Héle, héle, buiten staan twee borden,
Een vol pap, en een vol soep
Tanteke loopt de trappen op
En gooit een voorschoot appel af zo dik als een kattekop.
Het woord “Héle” zou komen van heilen = heil wensen
De kinderen wensten de mensen een gelukkig nieuwjaar. Ze kregen dan meestal fruit of noten.
Gelukkig is dat oude gebruik nog in ere gehouden door de kinderen van Romershoven. Chapeau.
Op 31 december trekken ze dan in groep, begeleid door de politie, van huis tot huis door heel Romershoven, … en Romershoven is lang hoor. Dit jaar waren wel goed voorzien van laarzen, want je zou daar tegenwoordig wel zwembandjes moeten dragen om iet te verdrinken. De mensen staan de kinderen op te wachten? Ze krijgen nu wel geen appels of peren meer, maar snoep zoveel ze
willen, zelfs kleine speelgoedjes.
Spijtig als ze het liedje niet meer zingen, maar kom, de oude traditie is toch in ere gehouden, en dat is heel fijn.
pag 28
Waarom beroepsvoetballers niet blijven voetballen bij een lagere club
Guido Krieken - Piringen
Op het einde van het seizoen hoor je vaak dat ze oudre voetballers vieren als ze vertrekken.
Maar wat mij dan opvalt, is dat ze achteraf niet meer gaan spelen op een lager niveau: ze gaan dan golfen, of met de hond wandelen.
Dat herinnert mij aan een vrhaaltje in een boek Sportpsychologie.
Een man had aan zijn voordeur een mooie trap met een mooie leuning. Echt iets om de de kinderen te laten op spelen. En dat gebeurde natuurlijk: als het geen school was, waren ze de hele dag daar aan het spelen en veel lamaai aan het maken.
Die man werd dat beu: hij had hen am zo vaak weggejaagd, maar eeen beetje later waren ze er weer. Dat zou tock op een andere manier opgelost moeten worden.
Ze waren weer lawaai aan het maken, en de man ging in zijn deuropening staan. Ze liepen natuurlijk weg, maar deze keer wenkte hij hen dat ze noesten terugkomen: "Eigenlijk vind ik dat spelen zo slecht nog niet, ge krijgt van mij twee euro om hier te komen spelen."
Dat wonden ze heel goed. En 's anderendaags waren er al meer. Ze kregen allemaan twee euro.
Na een paar dagen waren het er zoveel, dat dat hij tegen hen zei: "Zoveel geld heb ik niet: ge krijgt allemaal één euro."
Dat vonden de kinderen toch een tegenvaller, maar kom kom ze konden ook fijn spelen.
Na een week zei de man: "Ik kan u zelfs geen halve euro meer geven: hier is twintig eurocent."
Toen zeiden de kinderen: "Meent ge dat wij voor twintig euro op uw trap kome spelen?", en hij heeft hen achteraf niet meer teruggezien.
Zo redeneren die voetballers misschien ook ...
pag 30
Zoumerklieëkes -
André Pictoel – Sintrùin
Vroeger heb ik eens iemand horen vertellen over hetgeen hij had meegemaakt in de kerk.
Heel vroeger was het de ganse tijd op de knieën liggen, en van tijd tot tijd rechtstaan, maar zitten was er niet bij in de kerk.
"Dat was lijden, maar voor uw zieltje heel goed," zeiden ze toen.
Dan werden de stoelen plots gedraaid, en mocht ge gaan zitten en soms rechtstaan na het Vaticaans Concilie. Dat was een revolutie, maar daardoor gebeurde ook wat die mij toen vertelde:
"Ik was een broekventje van een jaar of tien, en ik zat op een zondag met mijn moeder in de kerk. Voor ons zat een vrouw met een achtergevel waar je niet naast kon kijken.
Het was zomer en de dames droegen lichte kleedjes. Ik had al gezien dat als de dame voor ons rechtstond, dat haar kleed tussen haar billen bleef steken, en dan afviel, maar niet altijd, en dat moet toch vervelend zijn voor haar, dacht ik.
Dat begon mij zo op de zenuwen te werken, en mijn ogen zo uit te steken, dat ik op een ogenblik, puur van medelijden, heel stil en fijn tussen mijn wijs- en middelvinger haar kleed vastnam en dat vorozichtig uit de spleet trok. ...
Ze keert zich om en gaaf me daar een slag rond mijn oren die ik niet vlug ga vergeten.!
Tien minuten daarna moesten we opnieuw rechtstaan. Haar man, naast haar, zag dat haar kleedje tussen haar billen was blijven steken, en hij trok het eruit.
Nu wist ik heel goed na wat ik had meegemaakt, dat ze dat echt nie graag had, en ik stak het dadelijk terug.
Opnieuw een oorveeg !
Vrouwen ... daar kunt ge toch niet aan uit, nietwaar!
2025-02
pag 4 -
De schrokkende Hasselaren
Kijk nu toch naar al die Hasselaren
altijd en overal met volle borden
jenever drienken ze als wtare
ze weten, een haring verlicht een kater
"Vinstermiek" heten hun meisjes
Sint-Lambertus brengt hen jeneverdruppels
in goede erwtensop werpen ze spek
zo eten ze weer als gek
daarvan krijgen ze de diarree
en toch nog steeds appeteit
Konijn met rapen en puree
boterhammen met jeneverpastei
en ook nog na veel wortelsoep
aardappelen met lekkere ajuinsus
voor stokvis met heel veel bonen
daarvoor zouden ze jou echt willen zoenen
In ganzenvet bak je gans
dat koke echt wel alle moeders
met kervelaardappeltjes of stoemp
kijk hoe het keteltje dampt
's zondags en op een werkdag
nooit ligt er iets op uw maag
En is het veel vlees of vis
zelden is er over
het eten van een Hasselaar is vlu gezakt
maar waarom heet hijook weer "dikken nek"
pag 14 -
Tandarts
Guido Krieken
'k Moet naar de tandarts, ik had ergens een gaatje
dat moest gevuld, en ik kan dat niet zelf
'k Had daarvoor een afspraak moeten maken
'k Was goed op tijd, en ik had ook mijn geld
'k Gaf mijn identiteitskaart af aan de computer
en dadelijk herkende hij mij met mijn naam
'k Mocht gaan zitten, je kon goed horen,
wat er gebeurde iets verder op
Zie, zie, zie, zie, voel je nog iets, wees maar niet bang
Zie, zie, zie, zie, spoel nu maar even, het duurt niet meer lang
Van al dat wchten kreeg ik de floepers
Ik voelde mij iet op mijn gemak
Ik zat mij stilletjes op te winden
Ik moest oppassen dat ik niet braak
Ik hoor dat boortje zo vaak zijn best doen
Ik krijg het zweet nog in mijn handen
Ik stel mij al voor hoe het gaat worden
Dadelijk dat boorke recht op mijn tanden
Als het mijn beurt is, moet ik gaan liggen
Een helder wit licht schijnt op mijn mond
"Doe maar eens open, zodat ik kn kijken.
waar ik moet boren. Dat is niet gezond.
Moet ik verdoven, is dat wel nodig,
ik kan ook proberen, of ge iets voelt."
Ik zeg: "Verdoven, ge moet niet wachten,
neem maar genoeg, zodat het heel lang houdt."
Ik blijf mooi liggen, en ik voel helemaal niets,
een hels lawaai maakt heel lang dat boor
Ik moet mijn mond goed openhouden
Ik voel dat boen tot in mijn haar.
Na lange tijd mag ik gaan zitten,
En ik mag spoelen, 'k slik alles in,
En heel tevreden ga ik dan betalen
Weer dat scherp boortje (op de achtergrond), 't slaat in mijn benen.
pag 28 -
Blauw
In ons jong leven
stroomde ons bloed
snel en bruisend
en het deed zo goed
Als we een maagdje
konden zoenen
en duizendmaal
willen belonen
Kregen we het deksel
dikwijls op de neus
net alsof onze hartepijn
niets voor hen was.
pag 31 -
Binnenin
Ik vertel het tegen niemand
maar ik voel goed hoe ik ben
omdat ik mijn eigen lichaam
door en door en doorgoed ken
Alleen maar aan buitenkant
heb ik alles naar mijn zin
maar ik vraag mij heel vaak af
hoe draait dat allemaal vanbinnen
Hoe eten en naar toilet gaan
wat erin komt, moet ook eruit
en toch blijft miojn grote vraag
hoe ziet dat er vanbinnen uit
pag 12 -
Arbiter
Guido Krieken
De scheidsrechters komen aan in kostuum en das
ze hebben pas een lift gehad
ze trekken en sleuren verkrampt aan hun tas
alsof het voor een vakantiemaand was
Met blinkende schoenen gaan ze door het gras
Alsof het voor een trouw was
Ze keuren de doelnetten, hoe recht is de lijn
en welke schoenen zouden de beste zijn
En dan klinkt het fluitje, de wedstrijd begint,
En iedere toeschouwer is nog goed gezind
Totdat dan het eerste shot op doel viel
in de bomen heel hoog vliegt zo zonder gevoel
De scheidsrechter die fluit is het altijd geweest
Ze roepen op hem "vuile zwarte" en al de rest
Al maakt hij geen fout, hij trapt geen bal
Hij is de duivel, een domme moei-al
En blaast hij op het einde drie keer op zijn fluit heel hard
Iedereen weet: 't spelletje is gedaan
Hij krijgt nooit applaus, 't is normaal als het goed was
Bij verlies hoort hij "ahoe" en al de rest
't Is voor hun plezier dat ze het ook doen
Dat ze elke zondag naar een veld gaan
Ze weten op voorhand, 't zal niet eenvoudig zijn
't Is daarom dat ik scheidsrechter ben
pag 16 -
Nog een beetje lente
De lente is terug in het land
overal bloeien de bloemen
bedwelmende geuren nemen nu de overhand
terwijl de bijen daartussen hun honigliedjes zoemen.
pag 19 -
Jefke kan goed rekenen
De onderwijzer van Jefke verjaart
En ze hebben een kein feestje in de klas
En hij vraagt aan de kinderen: "Zeg, gis maar eens hoe oud ik ben."
Janneke zegt: "Euh, 47, meester."
"Ho," zegt de meester, "mis, jongen! Dat is veel te oud. En gij Joséeke?"
"36, meester."
"Ook verkeerd, Joséeke, dat is te jong. En gij Jefke, wat denkt gij? Hoe oud schat je mij?"
"Hm! 42, meester."
"Dat is correct, Jefke, heel juist. Hoe heb je dat geraden?"
"Dat is toc niet zo moeilijk," zegt Jefke, "onze Driek, dat is een halve idioot, ja, en die is 21."
pag 19 -
Kattenkwaad uithalen
Kattenkwaad is van alle tijden.
Maar het kattenkwaad dat wij vroeger uithaalden, kun je niet vergelijken met wat de jonge gasten uitsteken heden ten dage. Auto's in vuur steken, zo maar voor hun pleziet. Vandalisme van hoo niveau. Thuis opvoeding dikke nul!
Ik wil even 70 ... 80 jaar terug gaan in de tijd, toen wij kwajongens kattenkwaad uithaalden van een heel ander kaliber. Ik wil er u enkele vertellen.
Belleke trek (en dan weglopen), een lege geldbeugel aan een heel dun touwtje vatsmaken en als dan een voorbijganger de geldbeugel wilde oprapen, trokken we van achter de haagdeze snel weg.
Victor Bas had een oud krakkemikkig vrachtwagentje van voor Christus. We staken in zijn claxon een paprijpe tomaat. Als de man dan ocharme, wilde toeteren, vlogen de spetters in het rond.
Wat we ook nog lapten, was de drukknop van de deurbel afplakken met plakband en dan weglopen.
Madammeke Bosch, een oud adelijk vrouwtje, dat op het kasteel Terwaert woonde, ging dagelijks wandelen met haar schepershond Moefla. Wij riepen dan achter haar rug: "Attaue Moefla." Wij hadden geen flauw benul wat "attak" betekende, maar Moefla werd daarvan heel kwaad. MevrouwtjeBosch keek dan kwaad om, maar dan waren wij al de pijp uit.
Wij gingen ook aan de kersen, en zelfs bij de pastoor aan de perziken. Die lonkten toch zo mooi over de pastoriemuur. Voor de pastoriemuur stond een betonnen elektriciteitspaal met gaten in. Wij klauterdan daarop als klimkatten, en staken onze zakken vol perziken. Net op dat ogenblik kwam Peltjes Mie, de boezemvriendin van Margriet, de meid van de pastoor, met de fiets aangereden. Tam tam, natuurlijk. Dat was vooral voor mij, als zoon van de kuster, een ramp. 's Anderdaags moest ik thuis al op het appel komen.
"Voor straf, " zei onze pa, "ga je zaterdag bij de pastoor biechten."
't Schijnt dat de pastoor zijnlach niet kon inhouden ton ik zei: "Eerwaarde vader, ik ben aan uw perzieken geweest."
pag 33 -
Karnaval
Guido Krieken
Wellicht ga ik hier een paar of meerdere mensen tegen hun schenen schoppen, grote ogen of rimpels doen trekken, maar mij zegt karnaval nier zoveel. Als je je begint af te vragen waarom we dat nodig hebben, kun je alleen antwoorden dat dat in Limburg aan weerszijden van de Maas gevierd wordt. Hoe dichter bij de Maas, hoe feller.
Als je dat moet uitleggen aan iemand uit Vlaanderen, en zeker uit de Far West, bekijken ze jou toch maar raar. Ze denken daar dat hier rare venten in vrouwenkleren zat op straat rondlopen, omdat ze Aalst kennen.
Hier is het eigenlijk maar een paar dagen, dat je je kan laten gaan zonder dat iemand je raar bekijkt. Alles mag, alles kan. Sommigen dragen een masker, en dan kan je je afvragen of ze dat doen om er zeker beter uit te zien dan anders? Of het komt dan ook niet zo nauw.
Ik denk dan ook aan de mensen die een kleine bulldog hebben, je weet wel: zo'n hond met een platte snuit die altijd verkouden is. Die willen misschien ook zeker zijn dat thuis nog iemand rondloopt die lelijker is dan zij zelf. En dan heb je de stoet. Het gaat er hier meestal niet om wat de groep vorostelt zoals in Aalst, maar eerder dat ze allemaal hetzelfde uniform dragen. Dan valt ook een achterblijver dadelijk op. Ze werpen met confetti en mijn zussen, die in de school lesgeven, worden steeds meer ingesmeerd met confetti. Weken daarna valt er nog confetti uit hun jas. Je moet ook altijd goed opletten wat ze gooien: gelukkig werpen ze niet meer met appels: als je zo één tegen je hoofd kreeg... Wat ik ook raar vind, is dat iedereen de snoep die op de grond ligt, opraapt. Bijna of ze thuis niets hebben. Ik zal het dit jaar maar weer op mij af laten komen. Het hoort erbij.
2025-01
pag 8
Zelfmoord. -
Johan Onclinckx – Sint-Truiden
Lang geleden ging ik naar de film in de Palace op het Sint-Martenplein.
Een mooie spannende film met Grace Kelly en Cary Grant.
Op een ogenblik in die film neemt er iemand een revolver en duwde hem tegen de rechter slaap van Cary Grant.
De man die naast me zat, fluisterde plots in mijn oor:” Zo mag je dat nooit doen, hoor” !! Ik ken iemand die zich op dezelfde manier van kant wilde maken, maar de kogel is volledig door zijn hoofd gegaan en aan de andere kant eruit gekomen zonder de hersenen te raken”!! De zenuwen van zijn oog waren doorgesneden.
Nu is hij blind”. “Het is maar dat u het weet, hoor meneer”… zei hij…
pag 16
Opstekers in Kinroois dialekt -
Theo Van Dael Molenbeersel
-
Als de buik dikker is dan de borstkas is ’t niet veel meer maar meer minder
-
Tot op een zekere leegte is chocolade eten gezond
-
.
-
Met goed te zwijgen kun je vaak het vlugst gelijk krijgen
-
Braaf zijn houdt ook in, dat je je goed gedraagt
-
Scherp staan is veel beter dan bot hangen
-
Zolang we de bakker en de beenhouwer nog kunnen betalen, hebben die ambachtslui geen armoede
-
Prei en uien zijn niet te missen in de soep, maar er moet ook water bij
-
Werken is goed als je ernaar kan kijken
-
Dat ik nog maar eens in de voor achter het paard kon lopen
-
De blauwe lucht van vroeger is ook afgeschaft
-
In Luyck snakken ze naar een droog jaar
-
Corona is gepromoveerd tot bevelhebber van de wereldsoldaten
-
Bij ‘met man en macht’ zijn er ook vrouwen
-
Nadat we allemaal onze wapens hebben ingeleverd, hebben we een kemel geschoten
-
Als eczeem jeukt is het niet aan het genezen
-
Stelen is een deftige manier van pikken
-
Lanterfanten is goed tegen het zweten
-
Tegenwoordig kan je met Kerstmis al paasbloemen kopen
-
Als je in het ziekenhuis ligt, is de uitslag altijd in het voordeel van de dokters
-
De grote ploegen krijgen geen corona, als ze maar letten op propere handen
-
Verliezen is zeker zo erg als niet meedoen
-
Bij wederzijdse toestemming is vaak nog een verliezer
-
Een helse kus smaakt hemels
-
Verknoei je een goede vandaag aan gisteren
-
Vroeger hielden alleen de maagdjes van verandering
-
Zachte dokters genezen geen zwerende vingers
-
Nu ik beter ben, voel ik mij slechter dan vroeger
-
Een pleistertje op een pijnlijk knie geneest bij kinderen vlugger dan een goede dokter
-
“Was ik maar nooit getrouwd,” zei de pastoor, “dan had ik mijn lange kleren nog aan.”
-
“Ik verdien genoeg,” zei het ventje, “maar de maand heeft teveel dagen.”
-
“Ik heb het niet vlug koud,” zei de bakker toen hij het brood in de oven stootte



