De Bòddelkèèr heeft op 3 augustus zijn Zomerseizoen afgesloten op het Begijnhof in Sint-Truiden. Daar waren 650 toeschouwers die op hun stoeltje dat ze meegebracht hadden, naar hun zijn gaan kijken. Ze hebben negen keer gespeeld en alles tezamen hebben 2.800 mensen gelachen, geapplaudisseerd en gezongen met hen.
Hoe komt het dat iedereen naar de Bòddelkèèr wilt gaan kijken?
De Bòddelkèèr is een straattheater dat al 17 jaar bestaat. Het organiseert niet zelf de voorstellingen, want dat doen organisaties die wat geld willen inhalen voor een goed doel. De inkom is gratis maar zij gaan wel rond met een hoed.
De toeschouwers brengen hun eigen stoeltje mee.
Ze spelen heel graag op plaatsen die voor het Sint-Truidenserfgoed belangrijk zijn om die ook onder de aandacht te brengen door deze voorstellingen. Ze spelen het liefst van al buiten maar als het niet anders kan, spelen ze in een zaaltje in de nabijheid.
De taal is het Sint-Truidens dialect, bijgevolg doe je er best aan als je het niet goed verstaat om iemand mee te vragen die je gaatjes kan opvullen.
Zij houden hun publiek een spiegel voor om de realiteit van elke dag langs alle kanten te bekijken. Dat betekent dat wat er in Sint-Truiden
Ik wil u deze avond meenemen in de tijd, 75 jaar geleden, naar de jaren 40 net na de oorlog. Dat was een triestige tijd. Speelgoed hadden we niet veel, maar we probeerden ons toch te amuseren. De straten, de weiden, het veld dat was ons groot speelterrein want veel verkeer of gerij was er toen nog niet: een paar auto's; de tram en enkele landbouwers met kar of kipkar. We liepen weinig gevaar bij het spelen; onze ouders konden gerust zijn. Ons amusement hing af van de seizoenen.
In de zomer gingen we kikkers en salamanders vangen in de poel van de Hoot, soms worstelden we een beetje, en als het warm was, gingen wij plonsen of zwemmen in Leuris kumpel aan de Molenbeek.
In de herfst speelden wij verstoppertje op de tramstatie: rond die gebouwen, in de wagons en de personenwagons kon je je overal goed verbergen.
Als het een strenge winter was, gingen we glijden op de bevroren gracht in de Dumstraat of schaatsen op Knutske vijver.
In de lente speelden we cowboy op het paardenkerkhof en in de weiden van de Haache: de goeden tegen de slechten: die dan shet station tegen die van de klik. Onze wapens maakten we zelf: sommigen schoten met een boog, anderen met een schietleer, of en percussiegeweer. Een hoop steunpalen, die tegen een boom stonden was ons fort, en dat verdedigden wij met carbuur schieten. Dat ga ik even uitleggen. Carbuur was toen nog in veel winkels te koop: de mensen hadden nog carbuurlampen, sommigen zelfs nog een carbuurlamp op hun fiets. Terzake, je moest zorgen voor een doos met een deksel en een bol carbuur. In de bodem van die doos klopte je een gaatje. Je gooide de bol carbuur in de doos, sprenkelde er wat water op en sloot dan de doos goed af. Na een halve minuut stak je een lucifer aan het gaatje. De doos ontplofte met een enorme slag, en het deksel vloog meters ver. Dat deden we zelfs op de koer van de school.
Andere spelletjes waren, darpauen, tollen, doppen, landje kappen of knikkeren. Je had drie soorten knikkers: van gebakken aarde: de bieten; de gewone glazen, en de kertessen die wat groter waren. Als het slecht weer was speelden we onder het prieeltje. (wordt vervolgd)
Het ergste wat je mij vroeger kon aandoen, was naar een trouwfeest te gaan van de familie. Elke keer kwam een oom of tante naar mij toe, gaven mij een stomp in de flank, en dan zeiden: "En nu gij, hĂŠ?" Zij zijn daarmee gestopt, toen ik hetzelfde met hen begon te doen op begrafenissen...